Contextanalyse

Onderwijsinstellingen voelen dagelijks de realiteit van de uitdaging om actueel en aantrekkelijk onderwijs vorm te geven. Dit onderzoek beschrijft die realiteit vanuit onderzoeksliteratuur en de praktijk van het onderwijs. Tevens beoogt dit onderzoek een impuls te geven aan het verbeteren van de onderwijspraktijk. Het onderzoek vindt plaats bij po (2), sbo (1), vo (1), mbo (2), hbo (2) als onderdeel van een thematische onderzoeksgroep (TOG) naar de behoeften van docenten bij het vormgeven van de 21ste eeuwse vaardigheden in hun onderwijs. De TOG (zie Tabel 1) doet onderzoek bij het hoger beroepsonderwijs (hbo), middelbaar beroepsonderwijs (mbo), voortgezet onderwijs (vo), primair onderwijs (po) en speciaal basisonderwijs (sbo). Dit hoofdstuk geeft een beeld van de contextanalyse van de bij de TOG betrokken onderwijsinstellingen.

Onderzoeker  MLI Onderwijsorganisatie Populatie
Petra Poot, Hans Bastiaan HBO 46
Dieuwke van der Linde MBO 7
Esther Wouters VO 14
Marloes Lans, Tanja Buikema PO 40
Roselie Drost, Nynke Meester SBO 22
Totaal: 129
Tabel 1: Leden van de TOG met type onderwijs die zij onderzoeken

De samenleving verandert in rap tempo. Technologie ontwikkelt zich exponentieel (wet van Moore) en gaat steeds meer deel uit maken van het dagelijkse leven. Routinematig werk wordt overgenomen door machines en er ontstaan nieuwe vakgebieden. De veranderingen leiden tot steeds andere uitdagingen en problemen die zich nog niet eerder hebben voorgedaan. Dat zorgt voor steeds meer banen die van werknemers flexibiliteit en probleemoplossende vermogens vragen (Trilling & Fadel, 2009). Het onderwijs heeft de taak leerlingen en studenten op deze veranderende samenleving voor te bereiden, zodat zij zich staande kunnen houden in de veranderlijkheid van de 21ste eeuw. Het advies van Platform Onderwijs2032 (2016) onderstreept dat wanneer scholen van start gaan met toekomstgericht onderwijs, zij in de pas blijven bij deze economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Thijs, Fisser en Van der Hoeven (2014) spreken over een innovatie economie, waarin ze benoemen dat creativiteit, technologische toepassingen, ondernemerschap en het genereren van nieuwe ideeën van belang zijn.

Naast deze economische perspectieven zien Fullan en Langworthy (2014) vooral een didactisch belang voor het ontwikkelen van eigentijds onderwijs. Niet alleen maatschappelijke relevantie, maar eveneens de motivatie van studenten en het werkplezier van docenten zijn in het geding.  Fullan en Langworthy (2014) beschrijven hoe de didactiek mee kan groeien met de veranderlijkheid van de samenleving. Wanneer in de didactiek de focus ligt op het ontwikkelen van kennisproductiviteit, worden studenten uitgedaagd om vanuit aanwezige kennis, nieuwe ideeën en oplossingen te ontwerpen, zo mogelijk met behulp van ICT. Een andere kritiek op de economische benadering van het leren luidt: mens-zijn is meer dan werknemer-zijn, de ontwikkeling van de eigen identiteit is tijdens de opleiding van groot belang (Biesta, 2015).

In de Nederlandse onderwijscontext maakt gebruik van het model van Kennisnet (2016), dit model biedt handvatten voor het vormgeven van eigentijds onderwijs (zie Afbeelding 1).

21e eeuwse vaardigheden

 

 

 

 

 

 

Afbeelding 1: Model van Kennisnet (2016)

Bij de diverse bij het onderzoek betrokken onderwijsorganisaties, waarbinnen de leden van de onderzoeksgroep werkzaam zijn, zijn vanuit een going native benadering (Boeije, 2014) verschillende waarnemingen gedaan, die bijgedragen hebben aan de analyse van de context. In de wandelgangen zijn informele gesprekken gevoerd met collega’s om te peilen wat zij vinden van de 21ste eeuwse vaardigheden en in hoeverre zij dat relevant vinden voor hun onderwijs. Op docentniveau is enerzijds bereidheid om vanuit de 21ste eeuwse vaardigheden te werken en daar binnen hun lessen vorm aan te geven, bijvoorbeeld in het gebruik van ICT-leermiddelen als Padlet, Socrative en Kahoot. Samenwerking, communiceren en meer eigen regie voor het leerproces noemen docenten eveneens als relevante vaardigheden binnen het onderwijs van deze tijd. Anderzijds zijn er docenten bij wie het gesprek over de 21ste eeuwse vaardigheden weerstand oproept. Zij zien het implementeren van deze vaardigheden in hun lessen als verzwaring van hun werkdruk en/of zijn bang dat het ten koste zal gaan van de vakinhouden. Bovendien geven docenten aan dat de samenhang tussen 21ste eeuwse vaardigheden en het bestaande curriculum onduidelijk is. Wat ook meespeelt in deze weerstand is onzekerheid over eigen ICT vaardigheden en gebrek aan vertrouwen in het digitale netwerk van de school. Tot slot kent het onderwijs een uitgebreide geschiedenis van vele (vaak van bovenaf opgelegde en lang niet altijd succesvolle) onderwijsveranderingen. Dit, in combinatie met het gebrek aan professionele ruimte, kan de bereidwilligheid om te veranderen bij docenten verminderen volgens Dijsselbloem (2008).

Uit verkennende gesprekken met de teamleden van alle betrokken scholen lijken leidinggevenden het belang van de 21ste eeuwse vaardigheden doorgaans wel te erkennen. Er is echter, bij de verschillende onderwijsinstellingen nog weinig concreet gerealiseerd in beleid, vorm en structuur van het onderwijs, in overeenstemming met de waarneming van Voogt en Pareja Roblin in 2012. Die stap lijkt de betrokken organisaties moeite te kosten, er zijn verschillende redenen voor aan te wijzen. Men geeft aan dat de dynamiek van het onderwijs vaak leidt tot ad-hoc besluiten waardoor er wel enige initiatieven zijn die bijdragen aan het ontwikkelen van 21ste eeuwse vaardigheden, maar deze zijn geen integraal onderdeel van het schoolbeleid of gedeelde visie. De autonome positie van docenten belemmert eveneens deze integratie (Verbiest, 2014). Daarbij is in de praktijk bij po en vo scholen sprake van veel methode gebonden lesgeven, middels vaste structuren. In het hbo ervaren docenten het keurslijf van de toetscriteria en competentieprofielen. Deze aspecten lijken in mindere mate ruimte te geven aan het werken met de 21ste eeuwse vaardigheden.

In de breedte van de betrokken onderwijsinstellingen blijkt uit de eerste verkenningen vanuit de going native dat de urgentie van het implementeren van de 21ste eeuwse vaardigheden min of meer wordt erkend, dit heeft echter nog niet geleid tot herkenbare integratie van deze vaardigheden in de onderwijsprogramma’s. In de praktijk zijn individuele initiatieven van docenten waarneembaar, deze initiatieven lijken echter los te staan van een onderliggende visie, zij komen voort uit persoonlijk enthousiasme van docenten. Deze waarneming is ook beschreven in het onderzoek van SLO (Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling) naar de inhoud en aandacht voor de implementatie van de 21ste eeuwse vaardigheden in het funderend onderwijs (Tijs, Fisser & Van der Hoeven, 2014). Losse initiatieven van individuele docenten kunnen de indruk wekken dat onderwijsorganisaties daadwerkelijk aan de slag zijn met de 21ste eeuwse vaardigheden. Deze bieden echter onvoldoende basis voor een duurzame verandering (Verbiest, 2014).

Verbiest (2014) geeft tegelijkertijd aan dat het begrip duurzaam veranderen een contradictio in terminus is, gezien de eerdergenoemde veranderlijkheid van de context. Dat maakt dat de duurzaamheid geen betrekking heeft op het resultaat van de verandering, maar op de kwaliteiten om innovatief te zijn en te blijven. Dat maakt dat dit onderzoek zich vooral richt op de veranderbereidheid ten opzichte van de 21ste eeuwse vaardigheden van docenten en het in kaart brengen van hun behoeften in veranderprocessen.

Literatuur

Biesta, G. (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Culemborg: Uitgeverij Phronese.

Boeije, H. (2014). Analyseren in kwalitatief onderzoek. Denken en doen. Amsterdam: Boom.

Dijsselbloem, J. (2008). Onderzoek Onderwijsvernieuwingen. Geraadpleegd van http://www.parlement.com/9291000/d/tk31007_6.pdf.

Fullan, M. & Langworthy, M. (2014). A Rich Seam: How New Pedagogies Find Deep Learning. London: Pearson.

Kennisnet (2016). 21e eeuwse vaardigheden. Geraadpleegd van https://www.kennisnet.nl/artikel/nieuw-model- 21e-eeuwse-vaardigheden/.

Platform 2032 (2016). Ons onderwijs 2032. Geraadpleegd van http://onsonderwijs2032.nl/advies/.

Thijs, A., Fisser, P., & Hoeven, M. van der (2014). 21e eeuwse vaardigheden in het curriculum van het funderend onderwijs. Enschede: SLO.

Trilling, B., & Fadel, C. (2012). 21st Century Skills. New Jersey: John Wiley & Sons Inc.

Verbiest, E. (2014). Leren Innoveren. Apeldoorn/Antwerpen: Garant.

Voogt, J., & Pareja Roblin, N. (2012). Teaching and learning in the 21st century. A comparative analysis of    international frameworks. Journal of Curriculum Studies, 44(3), 299-321.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.