Achtergrond 21ste eeuwse vaardigheden

De veranderingen van de samenleving vragen om flexibilisering van burger en werknemer. Vanuit dit gegeven beargumenteert Platform 2032 (2015) de noodzaak om het onderwijsprogramma aan te passen. Dat programma dient niet langer alleen gericht te zijn op het aanleren van vaste structuren en kennisinhouden, maar in toenemende mate op het ontwikkelen van vaardigheden om zich aan te kunnen passen om zo een bijdrage te kunnen leveren aan werk en samenleving.

De hedendaagse kenniseconomie vraagt om werknemers die creatief en innovatief kunnen werken; het routinematig werken verplaatst zich naar minder ontwikkelde landen. Trilling en Fadel (2009) beargumenteren mede daardoor de noodzaak voor verandering van het onderwijs met name vanuit economisch perspectief. Het is algemeen erkend dat de economie en de daarbij behorende banen aan verandering onderhevig zijn, waardoor creativiteit en innovatief kunnen werken meer van belang zijn. Toch zijn er tegengeluiden die aangeven dat deze vereiste vaardigheden niet nieuw zijn. Rotherham en Willingham (2009) benoemen dat de genoemde vaardigheden in het huidige curriculum reeds aanwezig zijn, maar heroverwogen zouden moeten worden in het licht van de uitdagingen van de 21ste eeuw. Dit strookt met de bevindingen van de onderzoekers van de TOG, verschillende vaardigheden als samenwerken en communiceren zijn gelinkt aan de beroepscompetenties maar worden nog niet expliciet in verbinding gebracht met de uitdaging tot kenniscreatie en diep leren.

Naast economische belangen, vraagt het onderwijs zelf ook om verandering. Nieuwe inzichten over het leren van studenten (Bransford, Brown & Cocking, 2000) leiden tot een visie op didactiek waarbij er meer ruimte is voor leren in de praktijk. Fullan en Langworthy (2014) noemen dit ‘real life’ leren, laat studenten opdrachten doen die betekenis hebben voor de samenleving. Leren waarbij het niet gaat om het vermeerderen van kennis, maar om het innoveren en op een (nieuwe) manier toepassen van kennis. In deze nieuwe didactiek dienen kennis, techniek en didactiek ge├»ntegreerd te worden. Dit motiveert studenten en maakt ook voor docenten het vak aantrekkelijker (Fullan & Langworthy, 2014).

Er zijn verschillende modellen ontworpen die een overzicht bieden van 21ste eeuwse vaardigheden. Voogt en Pareja Roblin (2010) hebben een aantal modellen met elkaar vergeleken. Met name de economische en maatschappelijke eisen staan centraal in de modellen (Voogt & Pareja Roblin, 2010), er is weinig aandacht voor individuele leerprocessen van studenten en bijbehorende didactiek. Er is een aantal vaardigheden die in alle modellen terugkomen, ICT-vaardigheden, communiceren, samenwerken, sociale culturele vaardigheden en daarnaast komen creativiteit, kritisch denken en probleemoplossend vermogen in bijna alle modellen voor. De genoemde vaardigheden zijn echter nog niet duidelijk gedefinieerd, wat de implementatie van deze vaardigheden voor de Nederlandse onderwijscontext in de weg staat (Voogt & Pareja Roblin, 2010).

Kennisnet en SLO (Kennisnet, 2016) zijn deze uitdaging aangegaan en hebben een set aan vaardigheden beschreven die relevant geacht worden voor de Nederlandse onderwijscontext. Kennisnet heeft deze vaardigheden gedefinieerd en wil daarmee bijdragen aan de ontwikkeling van bijbehorende didactische concepten. Omdat dit model de verschillende vaardigheden expliciet beschrijft en goed lijkt aan te sluiten bij de betrokken onderwijsorganisaties is dit model leidend voor dit onderzoek.

Theoretische verdieping | Achtergrond 21ste eeuwse vaardigheden | Kritieken 21ste eeuwse vaardigheden | Model Kennisnet | Organisatie | Leren van docenten

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.